Man kijkt mijmerend voor zich uit

“Ik heb alles te danken aan mijn voetbal”

Deurne-Noord en Antwerp, het is een huwelijk dat al lange tijd teruggaat. De fysieke link is uiteraard het Bosuilstadion, maar de link zit ook in de vele supporters en sympathisanten die Antwerp heeft in deze buurt. De oudste fans zagen hun geliefkoosde club in 1957 kampioen van België worden. Louis Lambert was er toen bij als speler. Toen ik hem bezocht in januari 2018 woonde Louis nog steeds in de schaduw van het stadion.

Deze tekst komt uit het boek ‘Trots in Deurne-Noord’ dat ik samen met fotograaf Victoriano Moreno maakte in opdracht van Cultuurcentrum Deurne (nu De Klap). Ik deel het verhaal van Louis Lambert hier naar aanleiding van zijn overlijden op 2 februari 2024.


Nog maar net staan we binnen in de hal van het appartement aan de Bisschoppenhoflaan of Louis Lambert troont ons mee naar zijn bureau. Memorabilia sieren de muur, met onder meer een foto van het elftal dat in 1957 de Europacupwedstrijd tegen Real Madrid op de Bosuil speelde. Een vaantje van de Madrileense voetbalgrootheid ontbreekt ook niet. Maar in dit Antwerpnest hangt ook paars en wit aan de muur. Zowel zoon Paul als dochter Sonja verdedigden ooit de kleuren van aartsrivaal Beerschot. Hij als voetballer, zij als atlete. “Rood-wit en mauve-wit in een huis. (lacht) Paul speelde 357 matchen in de eerste ploeg van den Beerschot. Hij had nochtans bij den Antwerp moeten spelen.” Maar daarover later meer.

Man kijkt mijmerend voor zich uit

Foto: Victoriano Moreno

Boemmedevol Bernabeu

Het raam van Louis’ bureau kijkt uit op de nieuwe tribune van het Bosuilstadion. Al 43 jaar slaapt Louis in de kamer hiernaast op 250 meter van de heilige grond. “Het is rood-wit als ik opsta en rood-wit als ik ga slapen. Die tribune is heel mooi, ik ben er vorige week nog naar gaan kijken.” Maar eerst terug naar het verleden. Veel introductie heeft Louis niet nodig, hij steekt meteen van wal. “Ik stond elf jaar in de eerste ploeg van den Antwerp en heb een ongelofelijke tijd meegemaakt. We hadden geluk dat we in de loting tegen Real Madrid uitkwamen. De mensen zeiden: ‘Amai, tegen Madrid, ge gaat eruit liggen’. Maar ik ging er liever uit in de eerste ronde tegen Madrid, dan dat we tegen Lille, Breda of Feyenoord moesten spelen. Hoeveel zijn er die kunnen zeggen dat ze tegen Real Madrid hebben gespeeld, in een boemmedevol Bernabeu? Dat was fantástisch. Nu pas besef ik wat ik allemaal heb gerealiseerd. Die matchen tegen Real Madrid, twee maal kampioen*, een beker, … toen leek dat niet zo speciaal. Maar wij speelden wel een Europacupmatch tegen Real op de Bosuil voor 60.000 man! Stadionverlichting was er toen niet dus speelden we op een woensdagnamiddag om drie uur. De hele stad lag plat, Ford en Opel sloten hun fabriek. Mijn zoon zegt soms nog: ‘Pa, gij weet niet hoe goed gij vroeger wel kon sjotten.’”

*: In 1957-1958 eindigden Antwerp en Standard samen op de eerste plaats met een gelijk aantal punten. Maar de Luikenaars hadden een verliesmatch minder en werden daarom kampioen. Vice-kampioen Antwerp scoorde wel de meeste doelpunten en won ook meer matchen. In latere reglementen woog het aantal gewonnen matchen zwaarder door dan het aantal verliesmatchen. Maar dat was dus na 1958.

“Ik had het geluk om in een goede ploeg terecht te komen. We speelden negen jaar lang met ongeveer dezelfde spelers. Nooit is er iemand uitgezet, alleen gekwetsten werden vervangen. Met de nationale B-ploeg reisde ik naar Oostenrijk, Tsjechoslovakije, Hongarije en Zwitserland. Wie ging er in die tijd nu naar Zwitserland? Wij wel.” Louis neemt er een oude knipselmap bij. “Kijk die ploeg van Real. Zárraga, Di Stéfano, Gento: dat was de beste ploeg van de wereld.” Louis toont me twee sleutelhangers met een klein voetballetje, ongeveer zo groot als een dikke knikker. Door een gaatje zie je een minuscule foto van een Antwerpelftal. Een verzamelstuk voor voetballiefhebbers en Antwerpfans. “Elke maand staat hier wel een Antwerpfan aan de deur die een balleke met de foto van de ploeg wil overkopen. Mijn zoon zegt dat ik met het geld eens goed kan gaan eten met mijn vrouw, maar ik verkoop ze niet.”

“Het Real van toen was beter dan hun huidige ploeg. Drie, vier dagen voor de match waren we al daar. We trainden op het eerste plein om aan de lichten te wennen. Voor de match keken we rond en zagen we die 88.000 fans. We wisten dat we een pak rammel zouden krijgen. Thuis hadden we nochtans goed gespeeld. Gento was de snelste buitenspeler van Europa. Maar in die thuismatch was ik hem altijd een meter voor. Bij de rust kwam de Fik, (Vic Mees – mvm), naar mij: ‘Louis, hebt gij een spuit gepakt, of zo? Dat is niet normaal hoe snel gij loopt.’”

Patatten

Als we van zijn bureau naar de woonkamer gaan, stelt Louis ons zijn vrouw Lucie voor. We zetten ons in het salon met zicht op de Bisschoppenhoflaan. “Ik heb dat hier ongelofelijk zien veranderen. In het begin was hier enkel een zandweg met riet en moeras errond. Toen ik een jaar of tien was, woonde ik in Merksem. Dan kwamen wij over de brug naar hier om cowboy en indiaan te spelen. En dan zakten we tot aan onze knieën in de modder. Toen we hier 43 jaar geleden kwamen wonen, stonden van de Brug van den Azijn tot aan de Hoogmolenbrug misschien maar twee of drie blokken. Hier stonden geen fabrieken, geen huizen, niks. De Bisschoppenhoflaan was een steenweg van een meter of vier breed met een fietspad ernaast. Meer niet. Het stond hier bekend als een dure buurt. Maar rijk was ik niet hoor. Ik kwam niets tekort, maar ik was geen rijke mens.”

“Al goed dat je de oorlog niet hebt meegemaakt. Voor ons, de jeugd, was dat niet zo erg. Maar mijn vader zijn ze komen halen om in Duitsland te gaan werken. Op een bepaald moment stopte er een auto voor de deur met vier Duitsers met een geweer en een helm op. Ze vielen binnen, ons vader zat in de keuken en moest mee. Hij had al verschillende brieven genegeerd. We hebben vier jaar niets van hem gehoord. Hij zat in Berlijn. Wij moesten bijna nooit naar school, dat vonden we plezant. De V1’s, dat was een ander paar mouwen. Maar eten kwamen we niet tekort. Mijn grootouders woonden op het Gooreind en hadden er een winkel. Dus we hadden patatten en groenten, ze bakten zelf brood en regelmatig slachtte een boer ’s nachts een paar varkens. Ik heb van de oorlog niet veel gemerkt.”

Foto's en vaantjes die aan de muur hangen

Foto: Victoriano Moreno

“Bij den Antwerp, dat kunt ge niet geloven”

“Ik was 14 jaar en de oorlog was gedaan. Het voetbal kwam weer op gang, de bond organiseerde weer een eerste en een tweede klasse. Den Antwerp had jeugd nodig en richtte een schooltornooi in. Een van de onderwijzers op de Sint-Bartholomeusschool in Merksem was een voetbalfan. Hij kwam op de koer, koos dertien man en vroeg ons of we mee wilden naar dat tornooi. De match was tegen het Sint-Jan-Berchmanscollege. Aan de zijlijn stond iemand met een boekje en die riep me: ‘Manneke, kom eens hier. Gij kunt goed sjotten. Hebt gij geen shoes? Wat is uwe naam?’ ‘Louis Lambert.’ ‘Jacques, pakt ‘em eens mee en schrijf op waar en wanneer hij geboren is, waar hij woont en laat hem maar tekenen.’ Ik vroeg: ‘Wat is dat eigenlijk?’ ‘Ah, uw aansluiting bij den Antwerp. Nu zijt gij bij den Antwerp.’ Ik stond te bibberen terwijl ik mijn handtekening zette. Ik bij den Antwerp, dat kunt ge niet geloven.”

“Op mijn achttiende ging ik naar de juniors, maar daar heb ik maar een jaar gespeeld. Ik moest naar boven komen en daar zeiden ze: ‘Louiske, gij moet komen trainen met de eerste ploeg en vanaf nu speel je in het eerste elftal.’ Achttien jaar was ik! Dat jaar stond ik drie keer in de eerste ploeg. Dat weet ik nog goed: eerst naar Luik, dan thuis tegen FC Brugge en dan tegen Beringen. Of ik veel zenuwen had voor die eerste match? Eigenlijk wel. Maar ik had geluk. Tegen Beringen sjot ik naar de goal, een pis-sjotteke. Een slecht schot, maar die keeper laat de bal door zijn handen gaan en die vloog binnen. Mijn vader werd zo zot als iets toen ik in de eerste ploeg kwam. Mijn moeder was jammer genoeg al dood. Op haar vijfenveertig kreeg ze kanker, daar was niets aan te doen. Vijf jaar later hertrouwde mijn vader, maar met mijn stiefmoeder boterde het niet.”

“Dat was een andere tijd. Wij zeiden ‘Dag meneer’ tegen de délégué en gaven hem een hand. Goh, dat kan je niet vergelijken met nu. Wij hadden echt respect voor die mens, zo waren we grootgebracht. We moesten braaf zijn op den Antwerp. Daar moest je niet te gek doen of je vloog naar huis en je moest niet meer terugkomen. Ik heb eigenlijk alles te danken aan mijn voetbal. De oorlog was gedaan in 45. Toen ging ik nog een jaar naar school en wilde aan de Londenstraat studeren voor diamantair, maar mijn ouders konden dat niet betalen. Ik moest dus gaan werken op mijn vijftiende. Je moest al rijke ouders hebben om verder naar school te gaan. Ondervoorzitter Patje Vanderhaegen, dat was in feite onze vader op den Antwerp, vertelde mijn vader dat hij voor werk zou zorgen. Ik mocht gaan werken in de Venusstraat bij de Peerdenmarkt in Antwerpen in een grote fotogravure. Patje Vanderhaegen zei: ‘Braaf zijn, hé Louiske, dat ik geen klachten hoor’.”

“Lucie, pas op, hij is er weer”

“Ik was achttien en al mijn kameraden gingen pintjes pakken, dansen en smoren. Maar ik niet, voor mijn voetbal. Tot ik tegen mijn kameraad zei dat ik een liefke ging zoeken, dan ging ik toch een paar keer mee dansen. De tweede keer zag ik mijn vrouw zitten en ik vond haar een schoon maske. (glundert) Ik denk dat ik ze van de tien dansen acht keer ben gaan halen, dat vertelt ze nu nog. Ik vroeg haar of ze dat niet moe werd. ‘Nee’, zei ze, ‘maar mijn vriendin zei wel: ‘Lucie, pas op, hij is er weer’.’ De week daarop ging ik weer dansen en toen ze naar huis ging, stelde ik voor om haar naar de tram te brengen. Ze woonde in de Tulpstraat in Antwerpen. We spraken af voor de week nadien. Ze was nog maar zestien jaar, hé. Dat was de tweede keer dat ze thuis weg mocht. En nu is ze er 83 of 84. Lucie, hoe oud zijt gij nu, manneke?” “84.”

“Toen ik bij den troep moest, zorgde den Antwerp ervoor dat ik niet naar Duitsland moest en dat ik altijd mocht komen trainen. Ik zat bij de luchtmacht, daar had je geen oefeningen. Dat was in Beauvechain, in Bevekom op tachtig kilometer van hier, tussen Leuven en Namen. Ik moest maar twee keer trainen en daarvoor kwamen ze me halen met de auto. Ik stond toen vast bij de reserven. Op zaterdag kwam een supporter me halen en dan moest ik ’s maandags om vijf uur mijn bed uit om de trein te nemen. Ik moest bij de kapitein van het 24e escadrille komen. ‘Ik mag je niet laten werken want gij zijt een voetballer van den Antwerp. Ik ga een kantine laten maken en die mag jij uitbaten. De beroepsmilitairen mogen er koffie drinken en pistolets eten.’ Ik smeerde elke voormiddag die pistolets. Dat was plezant, ik mocht gewoon gaan trainen. In ruil moest ik mee met de officiers wanneer die gingen sjotten. Eigenlijk mochten alleen officiers meespelen. Maar dat was niet erg, zei die kapitein. ‘Pas die blouse eens en zet die klak eens op. Ge staat er goed mee. Als we gaan sjotten moet ge die blouse aandoen en die klak opzetten. En niet zeggen dat ge geen piloot zijt, hé.’ Dat was plezant, hoor. De kazernes namen het tegen elkaar op in verschillende sporten en ik deed aan alles mee. Op de duur stond ik in de volleybalploeg en liep ik mee in de cross. Bij de luchtmacht was het toch anders dan bij de kaki’s. Veel gemoedelijker.”

Tornooi met Mees, Mermans en Coppens

“Na mijn legerdienst was ik nog maar negentien jaar en een half. Ik kwam terug thuis. Mijn moeder was al dood en thuis ging het me niet goed af. Mijn centen moest ik afgeven, Lucie heeft dikwijls de cinema betaald. Ik had zelfs geen centen voor de tram. Op een bepaald moment is de bom ontploft. Vroeger was er in mei altijd een tornooi naast het viaduct van Merksem. Ik deed daaraan mee, maar ook Vic Mees, Jef Mermans en Rik Coppens. Dat was zo in die tijd, het seizoen was gedaan en wij gingen een tornooi spelen. We mochten dat eigenlijk niet, maar we deden dat toch. Achteraf moesten we naar boven komen en kregen we naar ons voeten. Op een bepaald moment was ik aan het sjotten en hoor ik tumult langs de lijn waar ook mijn vrouwke zat te kijken. Plots was mijn stiefmoeder opgedaagd en had mijn vrouw vastgegrepen bij de haren. Ik stormde van het veld, sprong zo over de afsluiting en trok mijn stiefmoeder weg. Dat was de druppel. Ik bracht Lucie naar haar ouders en we vertelden het hele verhaal. Daarna ben ik bij mijn nonkel Edouard gaan wonen. Na drie dagen moest ik al naar het politiebureau komen. ‘Gij zijt toch van den Antwerp, hé?’, zei die commissaris. Ik had al in de eerste ploeg gestaan, in een dorp ben je dan al iemand. Blijkbaar had mijn stiefmoeder klacht ingediend omdat ik haar geslagen zou hebben. Ik vertelde mijn verhaal en dat ik bij mijn voogd woonde. Hij deed er verder niet moeilijk over. Ik had een slechte jeugd, maar heel goeie schoonouders. Door zulke dingen word je ook meer vent. Ofwel zit je onder de grond, ofwel werk je jezelf er bovenop. Ik heb altijd dat tweede gedaan, maar plezant was het niet. Ook mijn zus Paula is thuis weggegaan en bij een tante gaan wonen. Mijn vader trok er zich niets van aan, die ging biljarten en kaarten. Wanneer ik moest sjotten, dan kwam hij kijken, dat wel.”

“Na een jaartje werken had ik wel wat centen. Dus zijn we getrouwd. Da’s al meer dan zestig jaar geleden. Lucie, hoe lang zijn we getrouwd?” “Ik denk al 64 of 65 jaar.” “Goh. Dat hoort ge niet veel, hé.”

Man staat op dak met voetbalstadion op de achtergrond

Foto: Victoriano Moreno

“Louis, wat is dat hier?”

“Die match tegen Real Madrid, dat was ongelofelijk. Ik denk dat we een kwartier bezig waren en we stonden al 4-0 achter. De Fik zei: ‘Wat is dat hier? We gaan er nogal binnen krijgen.’ Ik stond tegenover Gento. Ik zei: ‘Fik, ik heb die nog niet gezien. Die vliegt langs en voor ik het weet is hij weeral voorbij.’ Ik had enkel gevoeld dat hij naast mij stond. Amai, amai, dat was een straffe ploeg. In de gazet schreven ze dat ze compassie hadden met Louis Lambert. Ik speelde tegen de snelste linkerflank van Europa. Tijdens de thuismatch kon ik hem nochtans wel bijhouden. Ik kreeg de kleine Oscar in de krant. We speelden eerst thuis en speelden ongelofelijk goed. We verloren maar met 1-2 en we hadden zelfs 2-2 kunnen spelen. Louis Verbruggen was alleen door, had alleen nog Santamaria voor zich en lobde de bal over hem. Plots sloeg hij er met zijn hand naar, anders hadden we kans op 2-2.”

Mister Game, de beul

“Wij waren vrienden, we hadden een ongelofelijke band. En de vrouwen kwamen ook goed overeen. Mister Game, hebt ge daar al van gehoord? Harry Game, onze Engelse trainer, die was tien jaar bij ons. Pfft, een beul was dat. Daarvoor hadden we getraind met Richard Gedopt, Staf Pelsmaekers en Jean Declercq en dan kregen we dieje. Die zei: ‘We gaan een toertje doen.’ Wij vertrokken aan het plein, langs het Albertkanaal tot aan de brug van den Azijn. Daar moesten we honderd meter lopen, afgewisseld met twintig meter lopen met een ploegmaat op de rug. Daarna moesten we perdje staan – haasje-over. Met zestien man, dat was vijftien keer over iemand springen. En dat moesten we doen van hier tot Wijnegem, wij waren kapot. Maar ik bereidde me altijd goed voor. Voor de eerste training was ik al vier weken aan het lopen. Er waren er ook die niks hadden gedaan, die kwamen in Wijnegem aan en moesten gaan zitten. Er was er eentje bij met een hartslag van 160, dat is om dood te vallen. Bob Maertens, die had het erg te pakken. En dan moesten we terug over de brug van den Azijn langs het Albertkanaal naar het plein, uitrusten was er niet bij. We moesten met vijf vertrekken en drie minuten later vertrokken de volgende vijf. ‘Als die jullie inhalen, dan zit er een vlieg aan de lamp’, zei hij. ‘Dan gaan we op de assepiste nóg wat lopen.’ Wij maar achteruit kijken: zijn ze ons aan het inhalen? Op het plein vielen Bob Maertens en Louis Van Linden gewoon plat. Die moesten een halfuur bekomen. Maar je gaat daar niet van dood. Je ziet wel, ik ben 86 jaar en ik leef nog.”

“We hadden een voetballende ploeg, hoor. Figeys en Coremans speelden in de nationale B-ploeg, ik ben drie keer aangeduid voor de nationale A-ploeg. Ik zat daar op de bank, daar ben ik content mee. Met de nationale B-ploeg speelde ik twaalf keer. Jos Van Ginderen, nen toffe gast, ging op de duur ook mee. Onze kinesist vertelde ons dat we zelf ook wat moesten trainen, want we hadden maar drie trainingen per week. En als Mister Game slechtgezind was, dan moesten we vrijdag nog een vierde keer komen. Na een tijd liepen we de laatste twintig minuten van een match even hard als de eerste twintig. En toen liepen we die andere ploegen ondersteboven. Mister Game was dan wel een beul, hij stond ook dicht bij ons. We hebben goed gelachen.”

“Als we tegen Standard of Anderlecht speelden, dan zat er 50.000 man. Voor andere matchen kwam er 30 tot 35.000 man. Maar er kon 65.000 man in de tribune. België-Nederland werd altijd hier gespeeld. Twintig jaar geleden, in een slechte periode, ging ik kijken. Ik mocht tijdens de rust binnen bij het bestuur een koffie gaan drinken want ik ben een Legend, de oudste die nog leeft. Toen zat er maar tienduizend man, een ramp. Maar nu zijn ze terug opgekrabbeld, er is weer geld. Elke week ga ik eens goeiendag zeggen en een koffietje drinken.”

“Jij zou nogal een rijke mens zijn”

“Indertijd waren we maar half prof: een halve dag trainen en een halve dag gaan werken. Wij verdienden het dubbele van gewone mensen. Mijn dochter en zoon zeggen weleens: ‘Als jij nu zou voetballen, je zou nogal een rijke mens zijn. Jij woonde in ’s Gravenwezel in de duurste villa van allemaal.’ Als je hoort wat voetballers nu verdienen! Maar honderd procent prof, dat bestond toen niet. Toch kwamen we zeker niets tekort. Wij voetballers reden allemaal met een auto. Voor andere mensen was dat niet haalbaar. Ik was een jaar of 26 en Patje Vanderhaegen stelde me voor aan een inspecteur van De Vaderlandsche, de verzekeringsmaatschappij. Die vroeg of ik in verzekeringen wilde doen. Ik kende daar niets van, ik kon schrijven en lezen, maar veel meer hadden we door de oorlog niet geleerd. Maar dat was geen bezwaar, een keer per week volgde ik avondschool. Hij zei: ‘Als je van de zestigduizend Antwerp-supporters vijfduizend klant kan maken, dan heb je zoveel commissie en krijg je een bediendencontract.’ Samen met een zekere inspecteur Vermeulen bezochten we de supporters. Ik had een lijst met de adressen van achttienduizend abonnees. Ik mocht zeggen dat den Antwerp mij had gestuurd en dan vroeg ik of we hun brandverzekering of familiale niet mochten doen. Zo kreeg ik meteen veel klanten. Op de duur startte ik met mijn eigen klantenbestand. Ik heb mijn hele leven in verzekeringen gedaan.”

Avonturen in Mons …

“Toen ik dertig was, begonnen ze bij Antwerp met jonge gasten. Daarom moesten er een paar oudere spelers uit. Dat lag moeilijk, want die waren nog kampioen geworden en hadden de beker gewonnen. Ik vond dat geen probleem en vroeg of ik met een andere ploeg mocht gaan praten. Als speler had je toen niks te zeggen. Op een dag kreeg ik telefoon van Jeng Van den Bosch (officieel Pieter Van den Bosch – mvm). Die had tien jaar in de eerste ploeg van Anderlecht gespeeld en was toen speler-trainer in Mons, in derde nationale. Hij was een collega van onze stopper Jos Van Ginderen bij de Maritime Belge. Die had hem iets verteld over mijn situatie. Jeng Van den Bosch wilde met me afspreken. We zagen elkaar in een café op het Astridplein, met de voorzitter van de ploeg. ‘Schatrijk, hé’, zei Jeng. ‘Mag ik zeg Louis?’, vroeg die voorzitter. ‘Oui, monsieur’, ik kende een paar woorden Frans. ‘Wij wil gij komen spelen in Mons’, zei hij, ‘Maar Antwerp wil voor u een miljoen Belgische frank.’

“’Wablieft’, dacht ik, ‘ik speel al twaalf jaar in de eerste ploeg van den Antwerp, nu kan ik eens iets gaan verdienen en dan vragen ze een miljoen.’ Ter vergelijking: een huis kostte toen 250.000 frank. Ik zeg tegen de Jeng: ‘Zijn die nu niet beschaamd om zoveel geld voor mij te vragen? Kunnen die mij nu eens geen plezierke doen?’ ‘Ze stappen er niet van af’, zegt Jeng, ‘Maar hij wil je toch kopen. Het hangt ervan af wat jij vraagt. Hier is een bierkaartje, schrijf eens op. Hoeveel zou je willen?’ Ik wist niet wat ik moest vragen. Jeng en die voorzitter overlegden in het Frans en plots gaf die voorzitter mij een kaartje. ‘Alstublieft.’ Ik nam dat kaartje aan en viel bijna van mijn stoel. Ik vraag aan Jeng: ‘Heb jij dat gezien?’ ‘Ah ja’, zegt hij, ‘Ik heb hem gezegd dat hij u zoveel moet geven. Hij heeft me gevraagd of dat goed is.’ ‘Zijn jullie ermee aan het lachen? Da’s drie keer zoveel als ik nu verdien. Klopt dat wel?’ ‘Ja, hij heeft een contract bij om te tekenen. Drie jaar. Of moet je het thuis eerst nog bespreken?’ ‘Nee, dat moet ik thuis niet vragen.’ Ik heb meteen getekend, drie keer zoveel als op Antwerp. ‘Voilà, je hebt nu een contract’, zei Jeng. ‘En dan komen daar nog de premies bij.’ Ik wist niet waar ik het had. ‘Jeng, wij zijn sukkelaars op den Antwerp’, zei ik. Ik heb drie jaar bij Mons gespeeld, drie toffe jaren.

… en in Dendermonde

“Daarna gingen ze ook bij Mons verjongen. Ik kreeg toen een aanbieding van Dendermonde, die speelden in vierde nationale. Die wilden me als speler-trainer. Financieel was dat heel goed, ik ben er vier jaar gebleven. Maar een cadeau was het niet. De oudere spelers dachten dat ze alles mochten. Ze trainden wanneer ze wilden en hadden altijd ergens last van: hun gat, hun knie. Ze zopen en wanneer ze toch eens trainden, waren ze lui. Terwijl die jonge gasten vier keer kwamen trainen. Ik zei tegen het bestuur: ‘Die oudere mannen moeten er allemaal uit of ik stop. Ik wil een paar jonge gasten uit de scholierenploeg opnemen.’ Pas op, eerste provinciale was een kwaaie reeks, met Lokeren en zo. Tijdens het laatste seizoen – we zaten intussen al in tweede nationale – scheurde ik mijn kruisbanden. Ik kon zes maanden niet voetballen. De dokter raadde me aan om te stoppen, ik was er ook al 36.”

Een hele meneer in Holland

“Na die blessure ben ik toch nog twee jaar speler-trainer geweest in Hemiksem. Toen ik 38 was, vond ik het wel goed geweest. Ze hadden me altijd gevraagd om bij de veteranen van Antwerp te spelen en dat heb ik ook gedaan. Daar bij de veteranen speelde ik tot mijn zestig jaar. Ik ben ook nog trainer geweest bij Maccabi en in Holland, vlak over de grens, bij ODIO, eerste klasse amateurs. ODIO, dat is Ons Doel Is Ontspanning. Dat was heel plezant, ik was daar een hele meneer. Na zeven jaar voelde ik dat die mannen een ander gezicht nodig hadden, het werd te familiair. Dus ben ik gestopt en werd ik trainer bij Brasschaat. Toen vroeg den Antwerp me als jeugdtrainer, dat heb ik tien of elf jaar gedaan. Ik ben nu nog jeugdcoördinator bij voetbalclub Ternesse. Maar ik heb er net gezegd dat ik stop. Het wordt tijd, ik ben 86 geworden. En mijn vrouwke krijgt wat last van haar rug. Ik wil wat vaker thuis zijn om te helpen. Ze heeft me al genoeg moeten missen.”

“Mijn hele leven is voetbal geweest. Zonder mijn voetbal had alles er helemaal anders uitgezien. Ik ben maar tot mijn veertien naar school gegaan, vaker niet dan wel in de oorlog. Ik weet niet waar het geëindigd was zonder voetbal. Maar we zijn erdoor gekomen. Toen we trouwden, had ik niets. Mijn vrouw kreeg centen om een zitkamer te kopen, maar verder hadden we niets. Toen ik mijn eerste envelop kreeg op de voetbal gingen we naar de Vogelmarkt en kochten er stoelen en een tafel, allemaal tweedehands. Mijn vrouwke heeft gewerkt, maar toen ze 21 was is onze Paul geboren. We waren nog maar een jaar getrouwd als ze in positie was. En vier jaar na onze Paul kwam mijn dochter Sonja.”

Man kijkt naar oude krantenknipsels

Foto: Victoriano Moreno

Met Lozano achter de maskes

“Ik had nooit gedacht dat een van mijn kinderen nog bij de mauve-witten zou spelen. (lacht) Goh, amai. Ik was speler-trainer bij Hemiksem en Paul speelde daar ook. Een paar bestuursleden van Antwerp zagen hem spelen. Ze vonden hem de beste die erbij was, hij kon technisch beter sjotten dan ik. En zo is hij naar Antwerp gegaan. Maar toen hij er klaar voor was, kreeg hij er geen contract. Ik had contact met Brugge, Union Sint-Gillis en Beerschot. Maar bij Union en Brugge moest hij bij pleegouders gaan wonen, dat zag mijn vrouw niet zitten. Wij dus naar Beerschot. ‘Een tweede Lozano’, zeiden ze daar. Ze gaven hem een contract van vijf jaar met een bedrag per maand. Paul twijfelde, want hij was een grote Antwerpfan. Maar ik zei: ‘Dit is je beroep, je moet werken voor de baas die het meeste betaalt. En den Antwerp wil niets betalen.’ De dag erna stond het in de gazet: ‘Rood-witte vader tekent contract van vijf jaar bij Beerschot. Op Antwerp zeggen ze dat het Louis te doen is om de poen.’ Dat stond in grote letters in de gazet. Maar Paul is daar met zijn gat in de boter gevallen. Hij en Lozano werden boezemvrienden. Die heeft meer hier gegeten en geslapen dan thuis. En maar met tweeën achter de maskes zitten. ’t Eerste seizoen stond Paul er al zestien keer in, 357 matchen heeft hij gespeeld, tot zijn 33 jaar.”

Met de supporters op den drij

“Ik ben altijd naar de thuismatchen op den Antwerp blijven gaan. Nu nog steeds. Ik heb een brief gekregen dat ik bij de Legends hoor en dat ik alles mag vragen. Ik mag gaan zitten waar ik wil, maar ik zit het liefst op tribune 3, den drij. Daar zit een man of dertig van in de zeventig en tachtig, net als ik. Dat zijn supporters van toen ik nog in de eerste ploeg speelde. Die zijn fier en content dat Louis Lambert bij hen zit.” (lacht)

Fotograaf Victoriano wil nog een paar foto’s van Louis op het immense dak achter het appartement, met het stadion op de achtergrond. Het gemak en de souplesse waarmee Louis door het raam klautert en via een trapje met een klein sprongetje terug binnen komt, is opmerkelijk. Je zou deze kwieke man geen 86 geven, als je hem zo bezig ziet. “Tot nu toe ben ik gezond”, zegt Louis daarover. Terug binnen veegt Louis zijn voeten, want “mijn vrouw is streng, hoor. Ik heb een heel goeie vrouw, een reuzevrouw. Dat is een lotto die ik heb gewonnen. Haar ouders ook, die hebben me meteen binnen gepakt. Charles Docx, die speelde meer dan tweehonderdvijftig matchen voor den Antwerp, had een café in de Gemeentestraat. Hij was een kozijn van haar vader. Ik wist dat, dus ik ging daar iets drinken en vertelde dat ik een oogje had op Lucie. En of hij geen goed woordje kon doen en zeggen dat ik een deftige jongen was. Hij deed het en zei dat ik eens met de moeder moest gaan praten. Het was kleir, zei hij. Ik ging bellen en zei tegen haar moeder: ‘Ik heb kennis met uw dochter Lucie en kom vragen of u daarmee content bent. Ik zou liever hebben dat u dat weet.’ Maar ze zei dat ik dat met de vader moest arrangeren. Hij kwam in de gang, want ik mocht nog niet binnen, hé. ‘Ik heb ervan gehoord, mijn dochter vrijt met een speler van den Antwerp. Mijn kozijn heeft erbij gezegd dat ge nen hele goeie zijt, een vriendelijke en beleefde jongen. Dat ik niet ambetant moet zijn. Gij hebt dieje zeker wat betaald? Maar ’t is goed, hoor.’ En toen ik in de eerste ploeg van den Antwerp kwam, was haar vader zo fier als een gieter.”

Man zit gesticulerend in de zetel

Foto: Victoriano Moreno